De oorsprong van het theater ligt in een ver verleden, in de religieuze riten van de vroegste samenlevingen. In elk daarvan zijn sporen te vinden van liederen en dansen ter ere van een god. Vaak werden deze uitgevoerd door priesters en gelovigen. Het eerste grote theatertijdperk van de Westerse beschaving is dat van Griekenland geweest. In de vijfde eeuw voor de jaartelling werden daar tragedies en komedies opgevoerd door acteurs in speciale gebouwen of plekken die geen tempels waren.
Het moderne theater kan teruggevoerd worden op de dithyrambe, een hymne, die gezongen werd rond het altaar van Dionysos, de god van de wijn, wiens cultus zich verspreid had van het Nabije Oosten naar Griekenland. De dithyrambe werd gezongen door een koor van 50 mannen. Uiteindelijk heeft zich hieruit het moderne toneelstuk ontwikkeld. In de vroegste toneelstukken vinden we ook het koor terug en staat er altijd een altaar van Dionysos op toneel. Bij de dithyrambe ging het altijd om het leven en de verering van Dionysos. Toen uiteindelijk ook halfgoden en legendarische voorouders van de Grieken een rol gingen spelen, was het moderne theater een feit.
Uit de tragedie en de komedie ontstonden toen de toneelstukken die, hoewel ze nog een religieus karakter hadden, meer beoordeeld werden als kunstwerk en later als vermaak.
Euripides werd geboren in 484 voor Chr. en stierf in 406, hetzelfde jaar als een andere grote toneelschrijver uit de Griekse oudheid: Sophocles. Hij kwam uit een gegoede familie en was een beetje teruggetrokken en individualistischer dan zijn voorgangers Aeschylos en Sophocles. Mogelijk heeft hij tweeënnegentig stukken geschreven, waarvan er nog achttien over zijn.